Visie
Het uitgangspunt in het werk van Hilde Van de Walle is het menselijk figuur. De beeltenis is figuratief maar niet nauwgezet realistisch. Door het virtuoos fragmenteren en bewust uitvergroten of weglaten van delen van het sculptuur of door het ongewoon assembleren ervan, krijgen de beelden een onbegrensde zeggingskracht.
De specifieke houding van de sculpturen, gebogen of opgetild, en meestal op een minimaal steunvlak rustend, ontwaren een verrassende spanning tussen actie en rust, het net niet opstarten van een reële ‘move’.
Essentieel bij de beelden is de poëzie van een ontmoeting en de reflectie die deze ontmoeting opwekt of nalaat. Het niet tastbare in een beeltenis weergeven blijft een passionele zoektocht en een repetitieve uitdaging.
“Ik ben gefascineerd door de immense kracht om ‘materie’ te vervormen tot een zelfgevormde deformatie.
Het materiaal, of het nu klei, gips of was is, daagt mij elke keer opnieuw uit. Het laat mij voortdurend aftasten wat het materiaal kan en doet, hoe en tot waar ik het kan sturen. Die confrontatie tijdens het creëren is intensief omdat het voelen van weerstand en het ervaren dat niet alles te grijpen is wat je in gedachte hebt, een permanente strijd teweeg brengt. Het is zowel een fysieke als mentale zoektocht, een wisselwerking tussen ratio en emotie.
De vorm van het beeld ligt in mijn visuele geheugen vast maar dit laat niet weg dat tijdens het creatieproces andere accenten ontstaan. Het materiaal, de beleving en het creatief emotionele gevoel van het moment, spelen een belangrijke rol tijdens het creatieproces.
Ik streef tijdens het beeldend werken naar een evenwicht tussen vrijheid en begrenzing, tussen vasthouden en loslaten. Het hoogtepunt bij het scheppen is het moment dat het beeld je loslaat om op zichzelf te staan, ‘individu’ wordt.
Mijn beelden zijn in zekere mate naturalistisch, doch geen letterlijke afbeelding van de werkelijkheid. Expressie en emotie krijgen toegang zonder opdringerig of letterlijk uitgebeeld te worden.
De sculpturen zijn eerder introverte personages, elke vorm van anekdotiek is verdwenen. Het is vooral een gevoel die ik injecteer zonder het daarom expliciet te willen weergeven.
De figuren zijn soms verstrengeld in elkaar, het gevoel die ‘zindert’ tussen de gestalten is belangrijker dan de uitbeelding ervan. Het zijn verstilde gedaanten op een bevroren moment, tijdloos en universeel.”